Ik ben niet in de Dapperstraat geboren.
Het was er ongetwijfeld schoon, maar
ik was alleszins te klein om mij
door het ruisen van de hoge populieren
te laten bekoren en bovendien we waren
arm en bang, hoewel de schrale grond
met een overdaad aan stalmest in de voren
voldoende voedsel gaf tot poëzie,
in elk geval genoeg om tot
de naoorlogse generatie te behoren.
Ik heb er bij mijn weten niets verloren,
noch in de mest, de beukenlaan,
noch in de karrensporen, of het moest wezen
dat met de braamstruik waar om het jaar
dankzij mijn vaders hand de brand in sloeg,
de uitwassen van mijn kinderlijk geloof
werden bezworen.
Sigarenmaker, slachter, boer.
Wanneer de nacht valt, stappen
zij gezamenlijk door het koren, bestoken
mij met vloeken, schietgebeden en
versleten metaforen.
Zowaar bij elk woord dat ik laat vallen,
al is het plompverloren, taal ik naar
waar ik vlak voor die van godvergeten
oorlog werd geboren, naar de geur van
wierook, mest, sigaren, varkensbloed.
Mijn lieve, dode vader wees gegroet.
Mij is geen ander lot dan dit beschoren.
Terug naar overzicht
Vind je dat er informatie over dit gedicht ontbreekt? Stuur een mail naar
info@straatpoezie.nl met de titel en locatie van het gedicht en de aanvullende informatie.