Hulshorst

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte veluwhart.

Dichter(s): Gerrit Achterberg

Locatie: Oudeweg 121, 8077 ST Hulshorst, Nederland

Taal: Nederlands

Boek: Uit: Gerrit Achterberg, Verzamelde Gedichten, Amsterdam, Querido, 1972.

Opmerkingen of wetenswaardigheden: Bij het witte stationnetje was de dichter er nog niet! Zijn verloofde Bep van Zalingen woonde en werkte in Oldebroek en dat was toch echt nog wel een kleine 20 kilometer verder. Het stationsgebouwtje van het Veluwse Hulshorst is allang geen stopplaats meer. Er wonen mensen. Twee kleine hondjes slaan aan als ik iets te dichtbij hun tuin kom om een foto te maken. Verderop suist de A28, ik zie dat er nog wel een treinbaan loopt, maar nu staat er een hoog hek tussen voormalig station en het spoor. Station Hulshorst is door de dichter Gerrit Achterberg bezongen en dat gedicht is thans te lezen als gedicht 29 in de reeks gedichten die te vinden zijn in de openbare ruimte van de gemeente Nunspeet. Vroeger was het te lezen óp het stationsgebouw, nu staat het op een grote plaquette net naast de tuin. In 1863 werd Hulshorst ontsloten met een heus station. Het Station Hulshorst is door toedoen van de familie's van Sandbergen van kasteel De Essenburg en familie van Meurs van Huize Hulshorst tot stand gekomen. Op voorwaarde dat de trein ten eeuwige tijde de halteplaats zou aandoen hebben zij om niet de gronden voor station en spoorbaan ter beschikking gesteld. Het werd zelfs een populair station in het autoloze tijdperk. Dat veranderde in de loop der tijden. Te weinig ‘in- en uitstapbewegingen’ voor de spoorwegen; in 1987 werd het als station gesloten. Gelijktijdig met de sluiting van het station in 1987 werd station Schothorst (bij Amersfoort) geopend. Op deze manier ging er geen reistijd verloren. De sluiting ging gepaard met veel bombarie, ook omdat het station door Gerrit Achterberg beroemd was gemaakt. Nog maar zeven jaar daarvoor was de plaatsing van het gedicht Hulshorst, voor iedereen leesbaar op het gebouw waardoor het was geïnspireerd, een feestelijke gelegenheid. In eerste instantie werd het gedicht óp het stationsgebouw geplaatst. De officiële opening vond plaats op 20 mei 1980, precies de dag dat Gerrit Achterberg 75 jaar geworden zou zijn als hij niet in 1962 was overleden. Bij de opening was de weduwe van Gerrit aanwezig. Zij, Cathrien Achterberg-van Baak, was een geplaagde vrouw in die dagen. Er werd gewerkt aan een biografie en in publicaties in die tijd kwamen steeds vaker de minder zonnige kanten van de mens achter de dichter naar buiten. Daar kwam nog eens bij dat er ongelukkigerwijze fouten waren gemaakt bij het opmaken van de tekst. Landelijke kranten spraken schande van de verminking. En de weduwe wist vast ook nog erg goed dat haar echtgenoot langs dit station kwam als hij op weg was naar de ‘andere verloofde’ Bep. In bepaalde perioden was Bep toch echt wel een rivale van Cathrien. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat Cathrien een verscheurd gevoel moet hebben gehad bij het spektakel op die warme meidag in 1980. Het gedicht Hulshorst heeft ook al voor 20 mei 1980 aan het station gehangen. Deze metalen (gegoten) versie was enige jaren daarvoor helaas ontvreemd. Er zou een hek om het stationnetje van Hulshorst hebben gestaan. Een ijzeren hek met de naam van het station daarin. Roestig, denk ik als ik vergeten ijzer zie staan. Het stationnetje lag toen ver weg van al het geruis van leven en verkeer. Het werd omzoomd door dennen en coniferen. De bitterheid van de coniferen kan een projectie zijn van de dichter, maar ook samenhangen met de dominante geur van deze bomen. Het contrast tussen het verlaten station en het Veluwse onherbergzame landschap is groot. Het dertienregelige gedicht kent weinig vormkenmerken. Wat alliteraties tegen het einde als het gaat om het geluid, het weinig waaien, en de gevaren van de Veluwe: een barse bende van rovers (rans en ruw). De trein op weg naar Zwolle (het noorden vanuit de kant van Den Haag) staat wel stil maar kent geen tijd voor in- of uitstappen, nul minuten om precies te zijn. De dichter zit op een verlaten station waar, als in een nachtmerrie, geen wegkomen mogelijk is. En intussen klopt een andere werkelijkheid aan: het legendarisch gevaarlijke bos van de Veluwe. Ondoordringbaar en een goede plek voor rovers die reizigers graag van hun bezittingen af willen helpen. Blijft over de vraag waar het witte veluwhart naar verwijst. Is dat naar het o zo witte spoorgebouwtje dat het hart van het landschap daar vormt? Of is het een verwijzing naar het zuivere hart van de bewoners die zich daar godsvrezend ophouden? Of verwijst de dichter met het witte veluwhart naar de zandverstuiving Het Hulshorsterzand? De uitlopers daarvan grenzen aan de spoorbaan Utrecht-Zwolle tot dicht bij station Hulshorst en waren zeker in die dagen vanuit de trein duidelijk waarneembaar.

Meer info: http://muurgedichten-nunspeet.nl/

Naam invuller: Ernst Jan Peters & René de Weerdt

Vind je dat er informatie over dit gedicht ontbreekt? Stuur een mail naar info@straatpoezie.nl met de titel en locatie van het gedicht en de aanvullende informatie.