J’aime le carillon

J'aime le carillon dans tes cités antiques,
O vieux pays gardien de tes moeurs domestiques,
Noble Flandre, où le Nord se réchauffe engourdi
Au soleil de Castille et s'accouple au Midi !
Le carillon, c’est l’heure inattendue et folle,
Que l’oeil croit voir, vêtue en danseuse espagnole,
Apparaître soudain par le trou vif et clair
Que ferait en s’ouvrant une porte de l’air.
Elle vient, secouant sur les toits léthargiques
Son tablier d’argent plein de notes magiques,
Réveillant sans pitié les dormeurs ennuyeux,
Sautant à petits pas comme un oiseau joyeux,
Vibrant, ainsi qu’un dard qui tremble dans la cible ;
Par un frêle escalier de cristal invisible,
Effarée et dansante, elle descend des cieux ;
Et l’esprit, ce veilleur fait d’oreilles et d’yeux,
Tandis qu’elle va, vient, monte et descend encore,
Entend de marche en marche errer son pied sonore !

Dichter(s): Victor Hugo

Locatie: Grote Markt, Mechelen, België

Taal: Frans

Opmerkingen of wetenswaardigheden: Op 19 augustus 1837 verbleef in een hotel op de Mechelse Grote Markt een beroemde gast. Door het voortdurende nachtelijk lawaai van de beiaard kon hij de slaap niet vatten en ten einde raad kraste hij met de diamant van zijn ring een gedicht op de ruit. Doordat die gast toevallig Victor Hugo was, hebben wij er een mooi gedicht aan overgehouden, waarvan het beginvers "J'aime le carillon dans tes cités antiques" onder beiaardliefhebbers gemeengoed is geworden. Tot zover het verhaal. De werkelijkheid is ligt anders. De nacht van 17 op 18 augustus verbleef Hugo in Bergen, waar hij wachtte op de koets die hem naar Brussel zou brengen. Toen hij het automatisch speelwerk van het stadhuis hoorde, was hij zo gecharmeerd, dat hij de dag daarna aan zijn vrouw schreef: “Ik heb er goed aan gedaan die nacht niet te gaan slapen, vind je ook niet? Nooit had de slaap mij een droom kunnen schenken die meer naar mijn zin zou zijn geweest.“ Wellicht heeft Victor Hugo twee dagen later in Mechelen zijn nachtelijke ervaring van Bergen tot poëzie herschapen. Onder het gedicht staat trouwens de vermelding “Malines”. Hugo heeft niet overnacht in Mechelen, maar passeerde er op 19 augustus. Hij nam wel de tijd om de Sint-Romboutstoren te beklimmen. Hij beschreef de beiaard als volgt: “Stel je eens voor, een piano van vierhonderd voet hoog, met de hele kathedraal als vleugel.” Hugo’s beiaardgedicht start met een korte verheerlijking van Vlaanderen, kruispunt van noordelijke en zuidelijke cultuur, waar oude tradities nog in ere worden gehouden. Vervolgens evoceert het de nachtelijke rammel, die vergeleken wordt met een Spaanse danseres.

Meer info: http://beiaard.be/galerijgedichtenhugo.htm

Vind je dat er informatie over dit gedicht ontbreekt? Stuur een mail naar info@straatpoezie.nl met de titel en locatie van het gedicht en de aanvullende informatie.