Laat mij maar spreken als de canadassen
van de Esschebaan; zij zijn gerooid en ook ik ben
daar weg gegaan. Waar eens het kromme karrenspoor
liep, liggen nu asfaltstroken, netjes neergestreken
als de dames en meneren in hun villa's
aan hun kaarsrechte oprijlaan.
Laat mij maar spreken als de boeren van
het schrale graan, de sigarenmakers van Betje Bas,
de slachters van de Sport, hoewel ik niet meer bid
voor het gewas, de rook is opgestegen,
de varkenshokken leeg blijven staan en
het nooit meer als vroeger wordt.
Ik ben de jongen met de zachte G., met de geur
van wierook in het haar, die van varkens
in de kleren, de jongen van houdoe en hoezee.
Laat hem maar lullen, ouwehoeren en
op zijn tijd zwijgen, als zijn stronteigenwijze,
dierbare, dode boeren.
Terug naar overzicht
Vind je dat er informatie over dit gedicht ontbreekt? Stuur een mail naar
info@straatpoezie.nl met de titel en locatie van het gedicht en de aanvullende informatie.